Osteopathische technieken

Een osteopaat vertrekt altijd vanuit bewegingsverlies. Dit bewegingsverlies kan zich voordoen op het niveau van de drie grote invloedssferen van het menselijk lichaam met name :
  • het osteo-articulair systeem : de beweging van  beenderen, gewrichten, spieren, ligamenten.
  • het visceraal systeem : de beweging  van organen en ingewanden
  • het craniosacraal systeem : de  beweeglijkheid van de schedelbotten

Om het bewegingsverlies te corrigeren wordt daarom, in samenhang met deze drie systemen, gebruik gemaakt van drie belangrijke osteopatische technieken.

1. De structurele technieken:

structurele technieken

Hier wordt de aandacht gevestigd op de orthopedische structuren van het lichaam (de wervelkolom, de gewrichten, de spieren, de ligamenten). Via een aantal manuele handelingen wordt meer beweeglijkheid aan deze structuren gegeven. Deze handelingen zijn

  • Specifieke mobilisatietechnieken
  • Myotensieve technieken: het oprekken van de spieren en fascien
  • Manipulatieve technieken: zacht en zeer gericht

 

2. De viscerale technieken (of orgaantechnieken):

viscerale technieken

Deze technieken zijn gericht op de beweeglijkheid en het glijvermogen van de organen. Hier gaat de osteopaat zeer zacht de omliggende weefsels van de organen 'ontspannen'.

Door het losmaken van de verklevingen (adhesies) verbetert de doorbloeding in de organen en worden de andere delen van ons lichaam niet meer gehinderd.


3. De craniale technieken (of de schedel):

craniale technieken De schedelnaden laten zeer kleine bewegingen toe die aan de basis liggen van het craniosacrale ritme. De osteopaat is opgeleid om dit waar te nemen. Zo kan een osteopaat door op de schedel te werken ook andere plaatsen in ons lichaam beïnvloeden.